Ik keek haar na. Ze liep met haar fiets de brug op. Zonder om te kijken. Dit is de conclusie dacht ik. Stom. Ik ben te enthousiast geweest. Te ijverig. In haar ogen dacht ik herkenning te zien. Het vallen van de muren. Dat bracht me in vervoering. Onverwacht. De handreiking gaf me nieuwe energie. Ik sprak. In een eindeloze stroom woorden. Zonder beheersing. De taal is met het hart verbonden. Wanneer het hart kolkt, kolkt de taal. Daar valt niets tegen te beginnen. Ik ken geen discipline als het om de liefde gaat. Ik kan de rol niet spelen, die ik voor mijzelf heb geschreven. Zonde.
Ik reed weg. Zijn woorden staken als wespen op me in. Was dat nodig, dacht ik. Een betoog als zeurende koppijn. Laat me met rust. Ik fietste zo hard ik kon. Ik wilde naar huis. De man liet ik achter. Die kan in zijn sop gaar koken. Onderweg veegde ik de tranen uit mijn ogen. Hij is onmogelijk, dacht ik. Hij rent en hij raast en ik word gek van hem. Ik reed het park uit. De bomen gaven zijn woorden door. Ze achtervolgden me. Stil, riep ik zo hard mogelijk. Kan het stil zijn?
Ik liep naar mijn fiets. Dit was het dan. Ik wilde mijzelf slaan. Niet slim. De mensen zouden me aanstaren. Dus stapte ik op mijn fiets. Maar wegrijden deed ik niet. Deze plek hield me tegen. Wat heb ik gedaan, fluisterde ik. Waarom kan ik het niet laten rusten? Wat is er toch met me? Ik luisterde opnieuw naar haar woorden. Ik voelde de warmte van haar hand in de mijne. Zo had ik het mij niet voorgesteld. Zo dichtbij.
Ik reed naar huis. Geen idee waar ik was. Het uitzicht was een brij. Alle straten leken op elkaar. Ik had haast. Ik wilde veiligheid. Rust. Een bank om op te lezen. Kussens om in te slaan en te schreeuwen. Gordijnen om dicht te doen. Dit was een fout. Dit weerzien. Het deed me wankelen. Dat was niet de bedoeling. Zijn woorden raakten me. Ik liet me raken. Dat was het. Simpel. Als ik naar hem keek smolt ik. Mag ik dat zeggen? Smelten. Wat een onzin. Hij viel me aan. Ik werd aangevallen. Op volle snelheid reed hij op mij in met zijn zinloze woorden. Begrijp het dan, wilde ik hem zeggen. Houd voor een keer je mond en begrijp het.
Ik begon te fietsen. Naar huis dan maar. Meer dan ooit verlangde ik naar haar. Maar waarom? Wie is zij, dacht ik. Waarom voelt zij zo dichtbij? Waarom kan ik haar niet opgeven? Ik reed het park uit. De woorden bleven maar razen in mijn hoofd. Ik moet slapen, dacht ik. Ik word gek van al mijn gedachtes. Alleen als ik slaap kom ik tot rust. En terwijl ik dat dacht sloeg de bliksem in. Een besef als een lege kamer met middenin een stoel. Ik ging zitten en keek om mij heen. Alle gedachtes waren verdwenen, behalve die ene. Dit is het einde niet. Dit is het begin. Die woorden brachten me thuis.
Ik wilde hem zien. Dat is waar. Ik verlangde naar hem. Ik wilde met hem slapen. Nee. Niet slapen. Zien. Zien en spreken. Meer niet. Ik wilde hem vragen of hij geduld met me kon hebben. Maar na ons gesprek voelde ik meer dan ooit de onrust. Een orkaan die alles in de war schopte. Dat was de bedoeling niet. Begreep hij dat dan niet? Hij moest me laten. Hij moest knikken en zeggen het is goed en mij gerust stellen. Hij moest reageren zoals ik dat wilde. Niet al die woorden. Niet dat enthousiasme. Bevestig mij. Schenk mij de zegen door deze keuze te accepteren. Laat me en ik zal er voor je zijn. Misschien.
Zo kwam ik thuis. Ik liep de trappen op. Eenmaal binnen ging ik op bed liggen. Eindelijk rust. Ik was moe van mijn woorden. Moe van onze ontmoeting. Een bang vermoeden kroop dichterbij. Het slotlied. Ik sloot mijn ogen en wachtte. Waarop wist ik niet. Een openbaring misschien. Een conclusie. Maar die kwam niet. Geduld, mompelde ik. Heb geduld. Zo viel ik tenslotte in slaap. Zonder er erg in te hebben.