Is dit ons laatste gesprek vraag ik. Ze kijkt me aan. Ik heb geen idee. Zou kunnen. Met die woorden moet ik het doen. Goed, mompel ik. Als dit ons laatste gesprek is wat zijn dan mijn vragen? Ik denk na. Is er nog iets dat ik wil weten voor we beiden verdwijnen? Misschien. Was het nodig, zeg ik zacht terwijl ik haar ogen zoek. Ze staart me bewegingsloos aan. Ja, antwoordt ze tenslotte. Ik denk het.
Ik kijk naar hem. De man die mij de opluchting schonk. In wiens armen ik vergat. Hij liet me lachen. Hij deed me nadenken. Ik vond het fijn hem te spreken. Nu zit ik tegenover hem en zwijg. Wat zou ik nu moeten zeggen? Ik weet het niet. Elk woord dat op mijn lippen ligt grijpt me aan. Ik wil gelukkig met hem zijn, maar het kan niet. Dat moet hij begrijpen.
Het was nodig. Drie woorden die aan duidelijkheid niets te wensen overlaten. Het doek mag vallen. De lichten uit. De voorstelling is ten einde. Toch zitten we hier. In de zon. Hand in hand. Ik schud mijn hoofd. Wie ben ik geworden? Waarom doet dit me toch zoveel? En kan iemand in godsnaam die zon uitdoen?
Ik heb mijn zonnebril opgedaan. Dat helpt. Nu kan hij mijn ogen niet zien. Hij probeert door de donkere glazen heen te kijken, maar dat zal hem niet lukken. Deze bril is bedoeld om mensen buiten te sluiten. Daar heb ik hem zorgvuldig op uitgekozen. Jezelf beschermen lukt niet zolang de ogen zichtbaar zijn. Vertel dat al die vrouwen met hun burka’s maar. Naakt ben je pas wanneer men in je de ogen kan kijken. Dan is er geen houden meer aan. Geloof me.
Ik heb haar hand vast. Ze wankelt. Ik weet niet waarom. Heeft het met mij te maken? Haar huid is doorzichtig. Deze vroege zomer heeft geen vat op haar. Boven ons waait de bloesem uit de bomen en dwarrelt neer. Het regent, zeg ik en wijs naar boven. Ze reageert niet. Ik kijk naar haar ogen. Ze zijn verborgen? Wat is er toch aan de hand? Waarom zitten we hier? Ik probeer tot haar door te dringen. Het lukt niet.
Dit is de man die ik gekend heb. Hij is me dierbaar. Opnieuw zie ik onze dagen samen. Gelukkige dagen. Ik voelde me geborgen. Dat vond ik al heel wat. Maar geborgenheid is geen garantie. Hij kon soms ook zo onhandig zijn. Bot zelfs. In zijn woorden vergat hij de etiketten. Wie dacht hij dat hij was? Ik zie hem voor me zitten. Hij is aangeslagen. Dat komt door mij. Hij probeert me te bereiken. Hij bereikt me. Wat moet ik?
Ik voel haar liefde. Waarom spreekt ze hem niet uit? Ik ben geen vreemde voor haar. Daar moet ik op vertrouwen. Het lukt niet. Als ik haar ogen maar kon zien. Zo met die bril is het niets. En dan die zon. Ik ben verblind. Ik kan niet nadenken in al dat licht. Laat mij toch met rust.
Dit is de man die ik gevonden heb. De man die mij deed vergeten wie ik was. Ik houd van hem. Goed. Het is gezegd. Laat het gezegd zijn. Zolang ik de woorden niet uitspreek ben ik veilig. Ik duw de bril dichter tegen mijn ogen. Ik moet mijn positie veilig stellen. Het is een vereiste. In dit leven ben ik in gevaar. Ik wankel. Ik mis de houvast die nodig is om te geloven in een toekomst. Daarom is onzichtbaarheid het beste. Laat mij. Kun je dat? Laat me nu.
Is dit ons slotlied? Geef mij dan de tijd om op kracht te komen en de juiste melodie te vinden. Geef ons geduld en inzicht. En doe die zon uit.