Ik ben je niet vergeten. Hoe kan dat ook. Ik draag je in mijn hart. In alle dagen zonder jou ben je niet vertrokken. Ik heb gewacht. Gedacht: op den duur zal ik vergeten. Maar het ging niet. Ik bleef je mee dragen. Je wilde maar geen herinnering worden. Begrijp me goed. Ik vind het niet erg. Het is ongemakkelijk. Dat wel. Je voelt zwaar. Ik weet niet waarom. Je klimt op mijn rug. Je klemt je aan me vast. Je kruipt in me. Soms zou ik willen dat het anders was. Maar dan denk ik: hij zit er nu eenmaal. In dat hart van me. Verstopt. Laat hem zitten. Dan ga ik verder met waar ik mee bezig was. Lezen bijvoorbeeld. Of het huis schoon maken. Dat soort dingen.
Je kijkt naar me. Ik kan je blik niet ontwijken. Ik weet me geen raad. Je ogen zijn dezelfde. Niets veranderd. Dat is een rare gedachte. Waarom zouden ze veranderd zijn? Dat is nergens voor nodig. Toch?
Ik ben nerveus. Dat is niets ergs. Een goed teken houd ik mijzelf voor. Ik begrijp niet waarom ik nerveus ben. Ik ken je toch. Ik heb met je samen geleefd. Je bent geen vreemde voor me. Misschien moet ik mijzelf toespreken. Wie weet helpt het. Ik adem diep in. Maar de onrust gaat niet over. Het raakt me. Dat je hier voor me zit. Je kijkt me aan. Onderzoekend. Wil je daarmee ophouden. Ik wil me niet laten kennen. Dat is nergens voor nodig. Nu de rust bewaren. Dat is het beste. Echt.
Je kijkt naar me. Ik ken die blik. Hij is me dierbaar. In deze ogen verdrink ik. Door deze ogen word ik gegrepen. Veel te lang heb ik ze niet gezien. Maar nu ze dichtbij zijn durf ik niet terug te kijken. Bang voor wat ik zal vinden. Denk ik.
Je praat. Dat ben ik van je gewend. Ik moest je een zetje geven, maar daar ga je. Gelukkig. Dan hoef ik zelf niet te spreken. Zwijgen is beter. Door dat praten komt alles in beweging. Dat kan ik nu niet gebruiken. Ik wil niet dat je het hart ziet dat op mijn tong ligt te wachten. Daarom houd ik mijn lippen stijf op elkaar. Ik luister naar je verhalen. Je bent enthousiast. Ik voel het genoegen van deze ontmoeting in je zinnen. Je komt tot leven. Vraag niet aan mij hetzelfde te doen. Ik zou vertrekken. Laat me luisteren en zwijgen. Dat is mijn enige verzoek.
Je kijkt naar me. Zoals alleen jij kan kijken. Mijn ogen zijn moe. Ze hebben rust nodig. Ondertussen spreken jouw woorden voor zichzelf. Ze laten zich niet inperken. Je houdt betoog op betoog tot ik er gek van word. Een onsje minder graag als het kan. Nee. Het lukt je niet. Je moet spreken. Je moet de stilte opvullen en zien wie ik ben. Of het klopt. Of jij de enige bent die dit voelt. Deze aanwezigheid. Dit genoegen.
In mijn hart zit je. Diep verborgen. Ik krijg je er niet uit. Ik wil je er niet uit krijgen. Een van de twee. Ik weet niet welke het is. Wat ik wil. Ik weet het niet. Ik zie je en denk: hij is het. De man die ik ken. Met de ogen die ik ken. Zijn woorden stromen mijn richting op. Ze overvallen me. Ze raken. Ik luister of doe alsof ik luister. Hopen dat hij het niet door heeft. Mijn handen trillen. Hou daar mee op. Ik word er gek van. Waarom die onrust? Het is niet nodig. Ik ben waar ik wil zijn. Ik ben rustig nu. Laat me.
Je kijkt naar me. Je ziet mijn hart. Dat is niet goed. Er is haast geboden. Ik kauw en kauw tot ik alles vermalen heb. Snel slik ik het door. Ik voel hoe het hart weg zakt en kalmeer. Met dit hart diep in mijn lijf ben ik rustig. Ik durf je aan te kijken. Zonder schroom.
Ik luister. Je woorden stokken als ik kijk. Ik pak je hand. Je glimlacht. We zijn samen. Voor even. Het is genoeg. Voor nu is het genoeg.