Mag ik iets zeggen? Ik weet dat het onverwacht is. Ik heb tot nu toe mijn mond gehouden en je laten spreken. Je woorden vulden de ruimte. Ik heb toegekeken hoe je trachtte te vatten wat er gebeurde. Hoe je de woorden in mijn mond legde. Ik sprak in jouw gedachtes. Nu is het mijn beurt.
Ik ben opgelucht. Ja. Opgelucht. Toen ik je ontmoette en wij kusten wilde ik je. Dat was het enige dat ik voelde. Dat ik je helemaal wilde. Ik wist niet wie je was en dat deed er ook niet toe. Je hiaten kende ik nog niet. Je angsten hadden nog geen vat op me. Ik zag jou en ik verlangde. Achterop de fiets klemde ik mijn armen om je middel en dacht: deze man is een opluchting. Ik wil bij hem zijn. Een simpel gegeven. Ik wilde. Kennelijk.
We leerden elkaar kennen. We praatten en ontdekten wie de ander was. Beiden droegen we een verleden met ons mee. Maar wie doet dat niet? De lijnen van onze handen zijn door dit verleden bepaald. Ik dacht alleen: het moet te doen zijn. Het verleden en heden met elkaar rijmen. Kwestie van afstemmen. Toch?
Alles was anders en bijzonder. Jij. Wij. Ons leven. Ik stelde me open en liet je toe. Jij gaf me je hand en liet mij de lijnen zien in je palmen. Je wilde de mijne zien. Ik vond het goed. Een toekomst verscheen aan de horizon. Vragen dreven onze kant op. Zullen we ooit… een kind, een huis, een leven waarbij jij de mijne bent en ik de jouwe. Onlosmakelijk verbonden. Wie weet.
De dagen werden maanden. Ik wilde je zien. Ik wilde bij je zijn. In je armen sliep ik. Aan tafel aten we en spraken. We kookten en ruzieden over de recepten. Door straten en landschappen wandelden we. Als we thuis kwamen ging ik op je schoot zitten en rook in je nek. Je hield me vast en zei: als je het goed vindt laat ik je niet meer los. Ik vond het goed. Maar niet te lang, zei ik en lachte. Onhandig.
Tot het leven verschoof en ons deed wankelen. Ik werkte. Ik wilde. Maar de vertraging trad in. Mijn denken nam het over. Een verlangen dat ik vervloekte nam bezit van mijn lichaam. Ik stond binnen en keek naar buiten. Daar wilde ik zijn. Hoezeer ik me verzette. Het was onvermijdelijk. Te vroeg, mompelde ik. Te vroeg. Achter mij hoorde ik je praten. Je had me lief. Maar ik durfde niet langer om te kijken. Bang dat je zag hoe ik dacht. Tot ik mezelf dwong en je in de ogen keek. Het spijt me, mompelde ik. En vertrok.
Ik voel de opluchting. Hij is van gedaante veranderd. De blik naar binnen gekeerd zie ik: in deze eenzaamheid kan ik ademen. Ondertussen kijk ik van een afstand toe hoe het leven verder gaat. Alle tijd om bij te komen. Wat moet ik zeggen? Het verleden speelde op. Ik zuchtte en zuchtte, tot ik moe werd van het zuchten en dacht: ik wil naar buiten. Dit hier benauwt me. Ik kijk je aan. Maanden later. Je bent dezelfde als altijd. Maar het gaat niet meer. Ik wil bij je zijn. Ik wil vergeten. Maar het lukt niet. Alles moet anders. Ik denk alleen maar: dit kan niet. Dit moet opgelost worden. Ik. Ik moet het oplossen.
Ik heb je gered. Begrijp je dat niet? Je moet het begrijpen. De toekomst maakte me wanhopig. Ik kon maar niet verkroppen dat het heden op de grond lag en spartelde. Het was mijn probleem. Ik weigerde me te verzoenen. Nu zie ik de zon, ik zie de dagen, mijn vrienden, mijn familie. Ik denk: het mag weer. Ik mag weer bestaan. Mijn verdriet is geen taboe meer. Mijn afstand weer een zegen. Ik zie de wereld draaien en moet lachen. In de verte sta jij en je zwaait. Je roept me. Ik hoor je stem. Hij klinkt vertrouwd. Ik verlang ernaar mijn arm om je middel te slaan. Maar het is niet nodig. Ik heb de herinnering. Begrijp je?
Dit is ons verhaal. Een man en een vrouw. Het is vaker verteld. We herhalen slechts de zetten van anderen voor ons. Het is onze tragiek. Wanneer het verleden niet tot rust wil komen heeft bouwen aan een toekomst geen zin. Daarom wacht ik. Tot de rust is toegetreden en mij te slapen heeft gelegd. In mijn dromen denk ik aan jou. Ik zie hoe jij mij streelt, hoe je mijn gezicht in je handen neemt. In de slaap voel ik mij met je verbonden. Als vanouds.
Terzijde
Opgeslagen onder De fotograaf