Beloofd

Wat doen mensen als ze verdriet hebben? Dat verschilt. Je hebt er die er tegen vechten. Je hebt er die het accepteren. Sommigen trekken zich terug. Anderen gaan de straat op en beginnen te rennen. Ik schrijf. Geen idee waarom. Ik weet zo gauw niets beters.
Vorig jaar had ik verdriet. Dat duurde lang. Veel te lang. Het voelde banaal. Het ging tegen alle etiketten in. Zo hoort een mens zich niet te voelen, sprak ik mijzelf toe. Doe er iets aan. Vecht toch. Ik roep wel vaker van dat soort onzin. Mosterd na de maaltijd noemen ze dat. Pas als ik op achterstand sta kom ik in beweging. Om moedeloos van te worden.
Ik begon te schrijven. Dat leek me het beste. Schrijven geeft inzicht. Schrijven verlicht. Dat klopte. Tot op zekere hoogte. Met de zeurende pijn als motor begon ik de dagen vast te leggen. Een jaar lang. Ik schreef het leven op en vond het opnieuw uit. Ik stelde doelen die ik niet haalde. Maar het belangrijkste lukte me dan toch. Ik ging langzaam maar zeker vooruit. Al het gif stelde ik op schrift. Elke worsteling gaf ik woorden. Tot ik voelde dat ik lucht kreeg. Toen kwam het moment dat ik het verdriet met rust kon laten. Eindelijk.
Nu ben ik terug bij af. Een jaar heb ik geschreven en de cirkel is rond. Goed ik heb er iets langer over gedaan. Maar het is zover. 365 dagen zijn vastgelegd. Ben ik iets wijzer geworden? Om die vraag te beantwoorden leg ik de dagen achter elkaar en lees ze terug. De waarheid ken ik al. Wijsheid heb ik niet in pacht. Alle fouten die ik maakte, maak ik opnieuw. Ik ben onverbeterlijk.
Het verdriet is teruggekeerd. Onverwacht en in een andere gedaante. Het is minder zeurend. Dat wel. Maar verder is alles bij het oude. Ik schrijf en tracht me te verhouden tot de dagen. Ik herschrijf het leven tot ik van een afstand kan kijken wat alles betekent. De dagen zijn mijn panorama. In perspectief leef ik. Tot de cirkel rond is.
Misschien heb ik het voorspeld. De terugkeer van het rouwen. Het zou kunnen. Ik speelde met vuur. Op weg naar het einde sta ik weer aan het begin. Dat had ik kunnen weten. Het leven herhaalt zich. Ik herhaal me. Dat heb ik een jaar lang gedaan. Tot ik er gek van werd. Verdriet in al zijn variaties. Het gaat een mens niet in de koude kleren zitten.
En nu. Ik hoor haar stem. Wat ga je nu doen? Ik zeg: ik weet het niet. Maar dit verhaal is ten einde. Ik sluit het jaar af. Dat is noodzakelijk. Begrijp je? Ze antwoordt niet. Kijk, zeg ik, het verdriet is nog niet vertrokken. Het houdt me in zijn greep. Tegen stribbelen heeft geen zin. Of ik nu ren of vecht, de houdgreep is te stevig om los te komen. Daarom moet ik wachten. Zonder woorden. Tot ik verder kan. Ze knikt. Ik kijk haar aan. Ze staat te ver om haar in haar ogen te kijken. Jammer. Je gaat zwijgen, zegt ze. Aan haar stem te horen gelooft ze me niet. Als het lukt, zeg ik. Ze lacht. Succes dan maar. Ik verstar en denk bij mijzelf: ze heeft gelijk. Alsof ik de woordenstroom tot stilstand zou kunnen brengen. Die taal van mij leidt een eigen leven. En toch. Het moet een keer ophouden.
Denk niet dat ik je vergeten ben, zeg ik. Ze kijkt ernstig. Ik jou ook niet. Het was bijzonder. Ons in taal gegoten samenzijn. Is het zo gegaan, vraag ik. Wat bedoel je? Of het echt gebeurd is? Ik knik. Ik denk het, zegt ze. Je hebt het opgeschreven. Dan zal het toch gebeurd zijn.
Misschien. Ik weet het zelf ook niet meer. De dagen waren van vloeipapier. Erdoorheen zag ik de vorm van de dag. Ik goot de dagen in fictie tot ik er zelf in ging geloven. Hele reizen maakte ik en nam ze voor waar aan. Maar bestaat ze nog? De vrouw die ik lief heb? Is haar gedaante opgelost of kan ik haar nog zien. Daar staat ze. In de verte. In mijn laatste woorden loop ik op haar af. Mag ik je omhelzen, vraag ik. Ze lacht. Dat hoef je niet te vragen. Dat moet je gewoon doen. Het spijt me, zeg ik. Ik ben afwachtend. Dat is nergens voor nodig, zegt ze zacht. Het is er nog. Voel je dat dan niet. Ik knik. Ik voel het. Gelukkig. Dan omhels ik haar. Ik voel de warmte en zoek naar woorden om die te beschrijven. De taal laat me in de steek. Nog enkele zinnen. Een woord. Dan zwijg ik. Beloofd.

Geef een reactie

Opgeslagen onder Rustdag

Slotlied II

Ik keek haar na. Ze liep met haar fiets de brug op. Zonder om te kijken. Dit is de conclusie dacht ik. Stom. Ik ben te enthousiast geweest. Te ijverig. In haar ogen dacht ik herkenning te zien. Het vallen van de muren. Dat bracht me in vervoering. Onverwacht. De handreiking gaf me nieuwe energie. Ik sprak. In een eindeloze stroom woorden. Zonder beheersing. De taal is met het hart verbonden. Wanneer het hart kolkt, kolkt de taal. Daar valt niets tegen te beginnen. Ik ken geen discipline als het om de liefde gaat. Ik kan de rol niet spelen, die ik voor mijzelf heb geschreven. Zonde.

Ik reed weg. Zijn woorden staken als wespen op me in. Was dat nodig, dacht ik. Een betoog als zeurende koppijn. Laat me met rust. Ik fietste zo hard ik kon. Ik wilde naar huis. De man liet ik achter. Die kan in zijn sop gaar koken. Onderweg veegde ik de tranen uit mijn ogen. Hij is onmogelijk, dacht ik. Hij rent en hij raast en ik word gek van hem. Ik reed het park uit. De bomen gaven zijn woorden door. Ze achtervolgden me. Stil, riep ik zo hard mogelijk. Kan het stil zijn?

Ik liep naar mijn fiets. Dit was het dan. Ik wilde mijzelf slaan. Niet slim. De mensen zouden me aanstaren. Dus stapte ik op mijn fiets. Maar wegrijden deed ik niet. Deze plek hield me tegen. Wat heb ik gedaan, fluisterde ik. Waarom kan ik het niet laten rusten? Wat is er toch met me? Ik luisterde opnieuw naar haar woorden. Ik voelde de warmte van haar hand in de mijne. Zo had ik het mij niet voorgesteld. Zo dichtbij.

Ik reed naar huis. Geen idee waar ik was. Het uitzicht was een brij. Alle straten leken op elkaar. Ik had haast. Ik wilde veiligheid. Rust. Een bank om op te lezen. Kussens om in te slaan en te schreeuwen. Gordijnen om dicht te doen. Dit was een fout. Dit weerzien. Het deed me wankelen. Dat was niet de bedoeling. Zijn woorden raakten me. Ik liet me raken. Dat was het. Simpel. Als ik naar hem keek smolt ik. Mag ik dat zeggen? Smelten. Wat een onzin. Hij viel me aan. Ik werd aangevallen. Op volle snelheid reed hij op mij in met zijn zinloze woorden. Begrijp het dan, wilde ik hem zeggen. Houd voor een keer je mond en begrijp het.

Ik begon te fietsen. Naar huis dan maar. Meer dan ooit verlangde ik naar haar. Maar waarom? Wie is zij, dacht ik. Waarom voelt zij zo dichtbij? Waarom kan ik haar niet opgeven? Ik reed het park uit. De woorden bleven maar razen in mijn hoofd. Ik moet slapen, dacht ik. Ik word gek van al mijn gedachtes. Alleen als ik slaap kom ik tot rust. En terwijl ik dat dacht sloeg de bliksem in. Een besef als een lege kamer met middenin een stoel. Ik ging zitten en keek om mij heen. Alle gedachtes waren verdwenen, behalve die ene. Dit is het einde niet. Dit is het begin. Die woorden brachten me thuis.

Ik wilde hem zien. Dat is waar. Ik verlangde naar hem. Ik wilde met hem slapen. Nee. Niet slapen. Zien. Zien en spreken. Meer niet. Ik wilde hem vragen of hij geduld met me kon hebben. Maar na ons gesprek voelde ik meer dan ooit de onrust. Een orkaan die alles in de war schopte. Dat was de bedoeling niet. Begreep hij dat dan niet? Hij moest me laten. Hij moest knikken en zeggen het is goed en mij gerust stellen. Hij moest reageren zoals ik dat wilde. Niet al die woorden. Niet dat enthousiasme. Bevestig mij. Schenk mij de zegen door deze keuze te accepteren. Laat me en ik zal er voor je zijn. Misschien.

Zo kwam ik thuis. Ik liep de trappen op. Eenmaal binnen ging ik op bed liggen. Eindelijk rust. Ik was moe van mijn woorden. Moe van onze ontmoeting. Een bang vermoeden kroop dichterbij. Het slotlied. Ik sloot mijn ogen en wachtte. Waarop wist ik niet. Een openbaring misschien. Een conclusie. Maar die kwam niet. Geduld, mompelde ik. Heb geduld. Zo viel ik tenslotte in slaap. Zonder er erg in te hebben.

Geef een reactie

Opgeslagen onder De fotograaf

Slotlied

Is dit ons laatste gesprek vraag ik. Ze kijkt me aan. Ik heb geen idee. Zou kunnen. Met die woorden moet ik het doen. Goed, mompel ik. Als dit ons laatste gesprek is wat zijn dan mijn vragen? Ik denk na. Is er nog iets dat ik wil weten voor we beiden verdwijnen? Misschien. Was het nodig, zeg ik zacht terwijl ik haar ogen zoek. Ze staart me bewegingsloos aan. Ja, antwoordt ze tenslotte. Ik denk het.

Ik kijk naar hem. De man die mij de opluchting schonk. In wiens armen ik vergat. Hij liet me lachen. Hij deed me nadenken. Ik vond het fijn hem te spreken. Nu zit ik tegenover hem en zwijg. Wat zou ik nu moeten zeggen? Ik weet het niet. Elk woord dat op mijn lippen ligt grijpt me aan. Ik wil gelukkig met hem zijn, maar het kan niet. Dat moet hij begrijpen.

Het was nodig. Drie woorden die aan duidelijkheid niets te wensen overlaten. Het doek mag vallen. De lichten uit. De voorstelling is ten einde. Toch zitten we hier. In de zon. Hand in hand. Ik schud mijn hoofd. Wie ben ik geworden? Waarom doet dit me toch zoveel? En kan iemand in godsnaam die zon uitdoen?

Ik heb mijn zonnebril opgedaan. Dat helpt. Nu kan hij mijn ogen niet zien. Hij probeert door de donkere glazen heen te kijken, maar dat zal hem niet lukken. Deze bril is bedoeld om mensen buiten te sluiten. Daar heb ik hem zorgvuldig op uitgekozen. Jezelf beschermen lukt niet zolang de ogen zichtbaar zijn. Vertel dat al die vrouwen met hun burka’s maar. Naakt ben je pas wanneer men in je de ogen kan kijken. Dan is er geen houden meer aan. Geloof me.

Ik heb haar hand vast. Ze wankelt. Ik weet niet waarom. Heeft het met mij te maken? Haar huid is doorzichtig. Deze vroege zomer heeft geen vat op haar. Boven ons waait de bloesem uit de bomen en dwarrelt neer. Het regent, zeg ik en wijs naar boven. Ze reageert niet. Ik kijk naar haar ogen. Ze zijn verborgen? Wat is er toch aan de hand? Waarom zitten we hier? Ik probeer tot haar door te dringen. Het lukt niet.

Dit is de man die ik gekend heb. Hij is me dierbaar. Opnieuw zie ik onze dagen samen. Gelukkige dagen. Ik voelde me geborgen. Dat vond ik al heel wat. Maar geborgenheid is geen garantie. Hij kon soms ook zo onhandig zijn. Bot zelfs. In zijn woorden vergat hij de etiketten. Wie dacht hij dat hij was? Ik zie hem voor me zitten. Hij is aangeslagen. Dat komt door mij. Hij probeert me te bereiken. Hij bereikt me. Wat moet ik?

Ik voel haar liefde. Waarom spreekt ze hem niet uit? Ik ben geen vreemde voor haar. Daar moet ik op vertrouwen. Het lukt niet. Als ik haar ogen maar kon zien. Zo met die bril is het niets. En dan die zon. Ik ben verblind. Ik kan niet nadenken in al dat licht. Laat mij toch met rust.

Dit is de man die ik gevonden heb. De man die mij deed vergeten wie ik was. Ik houd van hem. Goed. Het is gezegd. Laat het gezegd zijn. Zolang ik de woorden niet uitspreek ben ik veilig. Ik duw de bril dichter tegen mijn ogen. Ik moet mijn positie veilig stellen. Het is een vereiste. In dit leven ben ik in gevaar. Ik wankel. Ik mis de houvast die nodig is om te geloven in een toekomst. Daarom is onzichtbaarheid het beste. Laat mij. Kun je dat? Laat me nu.

Is dit ons slotlied? Geef mij dan de tijd om op kracht te komen en de juiste melodie te vinden. Geef ons geduld en inzicht. En doe die zon uit.

Geef een reactie

Opgeslagen onder De fotograaf

Vadertje staat

Gebrek aan inzicht. Het is een teken des tijds. Waar politiek bedrijven ooit lange termijn denken was, daar worden er nu vooral sprintjes getrokken. Soundbytes zijn aan de orde van de dag. En de PVV is er heer en meester in. Kijk maar naar de aanslag die momenteel op de kunsten wordt voorbereid en die zoals bekend vooral uit de koker van Wilders komt. Hij heeft het kunstbestel gestigmatiseerd als linkse hobby en handelt daarnaar. Wat links is dient zichzelf te bedruipen. Aan hobby’s doen ze niet in de politiek.
Toch loont het de moeite eens te kijken naar de gevolgen van dergelijk beleid. Of kent de overheid de gevaren soms niet van het korte termijn denken? We weten allemaal hoe het gegaan is met het privatiseren van de Nationale Spoorwegen. Sinds dit staatsbedrijf op eigen benen staat kunnen we van een ding zeker zijn: vertragingen. Hetzelfde is het met het postbedrijf waar de postbodes inmiddels zo ongeveer gratis moeten werken. Nu zijn de kunsten aan de beurt en debiteert de overheid dat de markt zelf maar uit moet maken wat van waarde is en wat niet. Kort gezegd: trek eerst maar eens publiek, dan zullen we wel zien of we er aan bijdragen.
Maar daarmee gaat de overheid voorbij aan een kerntaak van haar beleid. Het opvoeden. Het is een taboe geworden in deze individualistische maatschappij. Politici zijn tegenwoordig vooral crisismanagers die zo soepel mogelijk op de waan van de dag moeten reageren. Het adagium is dat iedereen het lekker zelf uit moet zoeken. Terwijl juist de politiek de waan zou moeten laten voor wat het is en vooruit zou moeten kijken. Opvoeding begint bij de politici. Zij moeten het klimaat scheppen waarbinnen nieuwe generaties leren wat de waarde van democratie is. De kunsten kunnen hierin een voortrekkers rol vervullen.
Dit zegt ook de Raad voor Cultuur dat vandaag met zijn adviezen kwam om het kunstbestel te herzien. De raad stelt dat naast de marktwerking als legitimering voor overheidssteun ook de kwaliteit van de democratie zou moeten tellen. Het huidige tijdsgewricht vraagt om een kunstsector die de ruimte krijgt om vragen te stellen. Wie de marktwerking voorop stelt eist antwoorden, geen vragen. De overheid zou echter verder moeten kijken dan haar neus lang is. Dan zou zij zien dat de investering in de kunsten een investering in de democratie is. In een tijd waarin de culturele identiteit voortdurend ter discussie staat moet er ruimte zijn voor een kritische blik. Of zoals de raad het zegt:

“Natuurlijk mag er geld worden verdiend aan kunst en cultuur. Maar de bewering dat alleen die kunst en cultuur relevant, zinvol is die geld opbrengt ontkent de fundamentele waarde ervan.”

En daarmee zijn we terug bij de waan van de dag. In een maatschappij waarbij velen zich verliezen in succesdenken, zou de overheid haar nek uit moeten steken. De kunsten zijn een plek voor innovatie, waar kritische geesten ons scherp houden. Ter lering ende vermaak. Maar met de huidige bezuinigingen blijft slechts het vermaak over. En dat is een treurige conclusie. Door de kunsten aan de markt over te leveren ontkent de overheid de waarde van dit kunstbestel en bevestigt zij tegelijk haar eigen status. De ironie van dit alles is dat de bezuinigingen op deze manier een kunstbestel opleveren waarin net als bij de overheid zelf de leegte regeert. Daarmee komen de woorden die Shakespeare ooit schreef op een wrange manier uit. To hold a mirror up to nature. Waar is vadertje staat wanneer je hem nodig hebt?

Geef een reactie

Opgeslagen onder De Politicus

Voor nu

Ik ben je niet vergeten. Hoe kan dat ook. Ik draag je in mijn hart. In alle dagen zonder jou ben je niet vertrokken. Ik heb gewacht. Gedacht: op den duur zal ik vergeten. Maar het ging niet. Ik bleef je mee dragen. Je wilde maar geen herinnering worden. Begrijp me goed. Ik vind het niet erg. Het is ongemakkelijk. Dat wel. Je voelt zwaar. Ik weet niet waarom. Je klimt op mijn rug. Je klemt je aan me vast. Je kruipt in me. Soms zou ik willen dat het anders was. Maar dan denk ik: hij zit er nu eenmaal. In dat hart van me. Verstopt. Laat hem zitten. Dan ga ik verder met waar ik mee bezig was. Lezen bijvoorbeeld. Of het huis schoon maken. Dat soort dingen.

Je kijkt naar me. Ik kan je blik niet ontwijken. Ik weet me geen raad. Je ogen zijn dezelfde. Niets veranderd. Dat is een rare gedachte. Waarom zouden ze veranderd zijn? Dat is nergens voor nodig. Toch?

Ik ben nerveus. Dat is niets ergs. Een goed teken houd ik mijzelf voor. Ik begrijp niet waarom ik nerveus ben. Ik ken je toch. Ik heb met je samen geleefd. Je bent geen vreemde voor me. Misschien moet ik mijzelf toespreken. Wie weet helpt het. Ik adem diep in. Maar de onrust gaat niet over. Het raakt me. Dat je hier voor me zit. Je kijkt me aan. Onderzoekend. Wil je daarmee ophouden. Ik wil me niet laten kennen. Dat is nergens voor nodig. Nu de rust bewaren. Dat is het beste. Echt.

Je kijkt naar me. Ik ken die blik. Hij is me dierbaar. In deze ogen verdrink ik. Door deze ogen word ik gegrepen. Veel te lang heb ik ze niet gezien. Maar nu ze dichtbij zijn durf ik niet terug te kijken. Bang voor wat ik zal vinden. Denk ik.

Je praat. Dat ben ik van je gewend. Ik moest je een zetje geven, maar daar ga je. Gelukkig. Dan hoef ik zelf niet te spreken. Zwijgen is beter. Door dat praten komt alles in beweging. Dat kan ik nu niet gebruiken. Ik wil niet dat je het hart ziet dat op mijn tong ligt te wachten. Daarom houd ik mijn lippen stijf op elkaar. Ik luister naar je verhalen. Je bent enthousiast. Ik voel het genoegen van deze ontmoeting in je zinnen. Je komt tot leven. Vraag niet aan mij hetzelfde te doen. Ik zou vertrekken. Laat me luisteren en zwijgen. Dat is mijn enige verzoek.

Je kijkt naar me. Zoals alleen jij kan kijken. Mijn ogen zijn moe. Ze hebben rust nodig. Ondertussen spreken jouw woorden voor zichzelf. Ze laten zich niet inperken. Je houdt betoog op betoog tot ik er gek van word. Een onsje minder graag als het kan. Nee. Het lukt je niet. Je moet spreken. Je moet de stilte opvullen en zien wie ik ben. Of het klopt. Of jij de enige bent die dit voelt. Deze aanwezigheid. Dit genoegen.

In mijn hart zit je. Diep verborgen. Ik krijg je er niet uit. Ik wil je er niet uit krijgen. Een van de twee. Ik weet niet welke het is. Wat ik wil. Ik weet het niet. Ik zie je en denk: hij is het. De man die ik ken. Met de ogen die ik ken. Zijn woorden stromen mijn richting op. Ze overvallen me. Ze raken. Ik luister of doe alsof ik luister. Hopen dat hij het niet door heeft. Mijn handen trillen. Hou daar mee op. Ik word er gek van. Waarom die onrust? Het is niet nodig. Ik ben waar ik wil zijn. Ik ben rustig nu. Laat me.

Je kijkt naar me. Je ziet mijn hart. Dat is niet goed. Er is haast geboden. Ik kauw en kauw tot ik alles vermalen heb. Snel slik ik het door. Ik voel hoe het hart weg zakt en kalmeer. Met dit hart diep in mijn lijf ben ik rustig. Ik durf je aan te kijken. Zonder schroom.

Ik luister. Je woorden stokken als ik kijk. Ik pak je hand. Je glimlacht. We zijn samen. Voor even. Het is genoeg. Voor nu is het genoeg.

Geef een reactie

Opgeslagen onder De fotograaf

Mohicanen

Weet je wat het probleem met jou is. Jij bent te romantisch. De man tegenover me wijst met een vinger naar me. We zitten op een terras aan de Amstel. Het is de tijd van het jaar. Hete nachten. Dan ga je aan het water zitten. Ik fietste hier langs op weg naar huis toen ik mijn vrienden zag zitten. Kom erbij riepen ze. Waarom niet, zei ik.. Ik liet me inschenken. Buiten ons zat er niemand. Ja, de obers, maar die wachtten zuchtend tot we zouden vertrekken. Wij zijn de laatsten der Mohicanen, riep een van ons terwijl hij zijn vuist de lucht inwierp. Ik vroeg wat hij daarmee bedoelde. Niemand krijgt ons er onder, riep hij. Niemand.
Romantisch, zeg ik tegen de man. Is dat een compliment? Weet je, zegt hij, terwijl hij mij aanstaart met ogen vol alcohol. Zijn stem is angstaanjagend helder. Ik lees die dingen van jou wel eens. Die blogs. Man, het is alsof je een paar eeuwen terug geworpen wordt in de tijd. Al die verlangens, dat hartzeer, de liefde. Om gek van te worden. Ik lach, een compliment dus, en bied hem wat te drinken aan.
We proosten. De nacht gaat aangenaam traag voorbij. Dit is wat ik nodig heb, denk ik. Vrienden. Gesprekken. Een terras. Ik kan tevreden zijn. Als dit een herhaling is, laat hij dan eeuwig duren. Laat mij hier zitten en oud worden. Schijnbaar in stilstand. God, zegt de man, terwijl hij luistert hoe ik spreek. Daar ga je weer. Ik knik. Sorry. Macht der gewoonte.
Fietsers rijden voorbij. Stelletjes, hand in hand. Ze proberen elkaar te kussen. Ga zo door roept een van ons ze na en je dondert de Amstel in. Haastige fietsers, lome fietsers. De stad is in beweging. Maar wij niet. Wij kijken toe en praten. Ik wil het over de liefde hebben, zegt er eentje. Als het maar niet romantisch wordt, knipoogt de ander. Nee, luister, het is een verhaal, gewoon een verhaal, niets bijzonders. Hij begint te spreken. Met dubbele tong. Dat wel.
Je hebt, zegt hij, een hart en dat hart dat maakt sprongetjes. Niet altijd natuurlijk, want dan zijn het hartritmestoornissen en dan moet je naar de dokter, dat is namelijk niet goed, maar dat bedoel ik niet, je hart maakt dus sprongetjes, en bij de een springt ie hoger dan bij de ander, snap je? We knikken met zijn allen en bestellen een volgende ronde. De obers zuchten overeind en halen de bestelling. Nou kun je, gaat de verteller verder, wel een beetje moeilijk gaan lopen doen en met de eerste de beste die je tegenkomt iets beginnen, maar als je hart niet hoog genoeg springt, dan heb je daar dus niks aan, dat krijg je vroeger of later gewoon terug. Wat is je punt, zegt iemand. Gewoon, roept de Mohicaan weer, dat als je hart niet springt dat je dan niet moet gaan doen alsof ie wel springt. Maar, zegt hij en gaat op de stoel staan, als om wat voor reden dan ook, je hart wel springt en dan bedoel ik ook echt, springen, zo, hij doet het voor, terwijl wij ons hart inhouden en de obers toesnellen, nee laat me nou, ik heb alles onder controle, ik wilde gewoon iets illustreren, zo dus, nou, en als de ander dat ook heeft, dan kun je de hele wereld aan, echt, geloof me, de hele wereld, alle stormen, orkanen, overstromingen, alles. Alles. De obers trekken hem omlaag terwijl wij voor hem klappen. Mooi gesproken. Nog een rondje dan maar.
Romantisch dus. Ik kijk de man aan. Hij knikt en legt een hand op zijn borst. Recht uit het hart mompelt hij. Daar kan niets tegenop. Al die mooie woordjes van je. Ik voel het wel. Ik voel dat je ze meent. Dat vind ik ook mooi, weet je. Echt. Dat kan ik best waarderen. Ik lach. Gelukkig maar, zeg ik. En ik hef het glas. Op al die verdomde romantiek, zegt de man. En op de Mohicanen. Proost.

Geef een reactie

Opgeslagen onder De fotograaf

Terzijde

Mag ik iets zeggen? Ik weet dat het onverwacht is. Ik heb tot nu toe mijn mond gehouden en je laten spreken. Je woorden vulden de ruimte. Ik heb toegekeken hoe je trachtte te vatten wat er gebeurde. Hoe je de woorden in mijn mond legde. Ik sprak in jouw gedachtes. Nu is het mijn beurt.
Ik ben opgelucht. Ja. Opgelucht. Toen ik je ontmoette en wij kusten wilde ik je. Dat was het enige dat ik voelde. Dat ik je helemaal wilde. Ik wist niet wie je was en dat deed er ook niet toe. Je hiaten kende ik nog niet. Je angsten hadden nog geen vat op me. Ik zag jou en ik verlangde. Achterop de fiets klemde ik mijn armen om je middel en dacht: deze man is een opluchting. Ik wil bij hem zijn. Een simpel gegeven. Ik wilde. Kennelijk.
We leerden elkaar kennen. We praatten en ontdekten wie de ander was. Beiden droegen we een verleden met ons mee. Maar wie doet dat niet? De lijnen van onze handen zijn door dit verleden bepaald. Ik dacht alleen: het moet te doen zijn. Het verleden en heden met elkaar rijmen. Kwestie van afstemmen. Toch?
Alles was anders en bijzonder. Jij. Wij. Ons leven. Ik stelde me open en liet je toe. Jij gaf me je hand en liet mij de lijnen zien in je palmen. Je wilde de mijne zien. Ik vond het goed. Een toekomst verscheen aan de horizon. Vragen dreven onze kant op. Zullen we ooit… een kind, een huis, een leven waarbij jij de mijne bent en ik de jouwe. Onlosmakelijk verbonden. Wie weet.
De dagen werden maanden. Ik wilde je zien. Ik wilde bij je zijn. In je armen sliep ik. Aan tafel aten we en spraken. We kookten en ruzieden over de recepten. Door straten en landschappen wandelden we. Als we thuis kwamen ging ik op je schoot zitten en rook in je nek. Je hield me vast en zei: als je het goed vindt laat ik je niet meer los. Ik vond het goed. Maar niet te lang, zei ik en lachte. Onhandig.
Tot het leven verschoof en ons deed wankelen. Ik werkte. Ik wilde. Maar de vertraging trad in. Mijn denken nam het over. Een verlangen dat ik vervloekte nam bezit van mijn lichaam. Ik stond binnen en keek naar buiten. Daar wilde ik zijn. Hoezeer ik me verzette. Het was onvermijdelijk. Te vroeg, mompelde ik. Te vroeg. Achter mij hoorde ik je praten. Je had me lief. Maar ik durfde niet langer om te kijken. Bang dat je zag hoe ik dacht. Tot ik mezelf dwong en je in de ogen keek. Het spijt me, mompelde ik. En vertrok.
Ik voel de opluchting. Hij is van gedaante veranderd. De blik naar binnen gekeerd zie ik: in deze eenzaamheid kan ik ademen. Ondertussen kijk ik van een afstand toe hoe het leven verder gaat. Alle tijd om bij te komen. Wat moet ik zeggen? Het verleden speelde op. Ik zuchtte en zuchtte, tot ik moe werd van het zuchten en dacht: ik wil naar buiten. Dit hier benauwt me. Ik kijk je aan. Maanden later. Je bent dezelfde als altijd. Maar het gaat niet meer. Ik wil bij je zijn. Ik wil vergeten. Maar het lukt niet. Alles moet anders. Ik denk alleen maar: dit kan niet. Dit moet opgelost worden. Ik. Ik moet het oplossen.
Ik heb je gered. Begrijp je dat niet? Je moet het begrijpen. De toekomst maakte me wanhopig. Ik kon maar niet verkroppen dat het heden op de grond lag en spartelde. Het was mijn probleem. Ik weigerde me te verzoenen. Nu zie ik de zon, ik zie de dagen, mijn vrienden, mijn familie. Ik denk: het mag weer. Ik mag weer bestaan. Mijn verdriet is geen taboe meer. Mijn afstand weer een zegen. Ik zie de wereld draaien en moet lachen. In de verte sta jij en je zwaait. Je roept me. Ik hoor je stem. Hij klinkt vertrouwd. Ik verlang ernaar mijn arm om je middel te slaan. Maar het is niet nodig. Ik heb de herinnering. Begrijp je?
Dit is ons verhaal. Een man en een vrouw. Het is vaker verteld. We herhalen slechts de zetten van anderen voor ons. Het is onze tragiek. Wanneer het verleden niet tot rust wil komen heeft bouwen aan een toekomst geen zin. Daarom wacht ik. Tot de rust is toegetreden en mij te slapen heeft gelegd. In mijn dromen denk ik aan jou. Ik zie hoe jij mij streelt, hoe je mijn gezicht in je handen neemt. In de slaap voel ik mij met je verbonden. Als vanouds.

Geef een reactie

Opgeslagen onder De fotograaf

Woordwaarde

Ik kuste haar. Dat leek me een goed begin. Ik kuste haar en proefde op haar lippen de alcohol. Witte wijn geloof ik, al was ik daar niet zeker van. Ze liet me toe. Dat vond ik al heel wat. Ze had ook kunnen weigeren. Wat zeg ik. Voor hetzelfde geld had ze me een klap verkocht. Maar in plaats daarvan liet ze me toe. Ze leek te glimlachen terwijl ze kuste. Ik kon het niet goed zien vanuit mijn positie. Bovendien was ik bezig mijn neus niet in haar gezicht te duwen. Daar houden vrouwen niet van. Dacht ik. De neus van een vreemde in hun gezicht. Dat maakt kussen nog knap lastig. Ik draaide mijn gezicht naar links en hoopte dat ze het gebaar zou begrijpen. Gelukkig dat deed ze. Ze liet me toe.

Hij kuste niet slecht. Helemaal niet slecht. Ik was benieuwd hoe het zou voelen. Tot nu liep ik niet over van verliefdheid. Maar dat zegt niets in mijn geval. Ik heb de neiging alles te rationaliseren, tot de liefde aan toe. Liefde. Ik telde het aantal letters van dat woord. Zes. Niet slecht. Al zou het me bij scrabble nauwelijks woordwaarde opleveren. Maar daar was het woord ook niet voor bedoeld. Daar had je andere woorden voor. Quotiënt. Xylofoon. Aan die woorden dacht ik terwijl hij me kuste. Ik proefde hem en vroeg me af of hij zijn mond zou openen. Of hij er zo eentje was. Hij hield zich gedeisd. Hij verkende alleen. Zijn lippen varieerden. Kleine kusjes. Grote kusjes. Lief. Ja. Ik vond hem lief.

Zou ze het wat vinden? Ik vond het zelf helemaal niet slecht gaan. Ik heb veel nagedacht over dat zoenen, maar uiteindelijk moet je het gewoon doen. Anders wordt het natuurlijk niks. Je moet het in de praktijk brengen. Dat is het beste. Ik had natuurlijk enige ervaring. Tot nu toe geen klachten gekregen. Daar ging ik dan maar van uit. Het zou ook kunnen dat de vrouwen die ik gekust had de waarheid niet spraken. Dat ze tegen mij glimlachten en dan achter mijn rug om een beetje smalend liepen te doen over mijn kwaliteiten. Die kerel kust als een fata morgana. Van ver af lijkt het nog wat maar als je dichtbij komt heb je uiteindelijk gewoon zand in je mond. Nee. Geen slechte gedachtes nu. Focus je op haar lippen. Laat zien wat je in huis hebt. En ga uit van het goede. Ja. Altijd uitgaan van het goede.

Het begon ergens op te lijken. Ik wist niet zo gauw waarop, het zou een compositie kunnen zijn, muzikaliteit, ritme, een wolkendek misschien, maar er kwam in elk geval structuur in. Hij had zijn hoofd gedraaid zodat zijn gezicht nu dicht bij het mijne was. Dat zag er grappig uit. Alsof hij maar één oog had. Niet kijken dacht ik, straks barst je nog in lachen uit. Dat wordt je vast niet in dank afgenomen. Dus deed ik mijn ogen dicht en probeerde me over te geven. Dat lukte niet. Ik gaf hem kleine kusjes. Op zijn lippen. Op zijn wang. Voorzichtig nu, zei ik tegen mij zelf. Niet te hard van stapel lopen. Voorzichtig.

Ze aarzelde. Zou ik tegen vallen? Ik hield op met kussen en opende mijn ogen. Haar voorhoofd rustte tegen het mijne. Ze had haar ogen gesloten. Verder gebeurde er weinig. Hmm, mompelde ze. Hmm, mompelde ik. Dat is een vervelende eigenschap van me. Mensen nadoen. Kom ik moeilijk van af. Een soort drang tot imiteren. Zitten zoals de ander zit. Knikken als de ander knikt. Zelfs kuchen. Meer mensen hebben daar last van. Het is een vorm van gerust stellen denk ik. Van aanpassen. Ik paste me aan. Maar of dat nu een goed teken was?

Ik voelde hoe hij stopte. Mijn voorhoofd rustte op het zijne. Ik hield mijn ogen dicht. Bang dat hij weg zou gaan. Heeft hij mijn aarzeling gevoeld, dacht ik.. Weet hij dat ik bang ben? Ik durfde niet te kijken. Als ik niet kijk is het goed. Dan blijft alles bij het oude. Zo bleven we staan. Wel vijf minuten. Tot ik zijn lippen voelde die mijn oor zochten. Ik vind je lief fluisterde hij. Ik glimlachte en keek hem aan. Dat is vier letters, zei ik. Daar win je geen oorlog mee. Dat hoeft ook niet, antwoordde hij en lachte. Toen kusten we. Opnieuw

Geef een reactie

Opgeslagen onder Rustdag

Tederheid

Die nacht leerde ik jou kennen. Zoals je danste sprak je. In een eigen ritme. Vreemd en aantrekkelijk. Ik luisterde naar je woorden en dacht: als je zo blijft praten ben ik niet bang meer. Dan mag je me alles vragen. Ik zal antwoord geven. Beloofd.

Ik stelde voorzichtig mijn vragen. Gewend om een stilte te krijgen als antwoord. Maar jij sprak. Zonder aarzeling. Je keek me aan en zocht naar woorden. Als je ze gevonden had zette je ze in de juiste volgorde en liet ze aan me horen. Vreemd dacht ik. Er zijn geen hindernissen. Je liet me toe. Daar moest ik aan wennen. Heel even maar. Toen vond ik het fijn. Echt. Fijn.

Je stelde me vragen. Zo drong je bij me binnen. Ik zat met het dansen in mijn hoofd. De roes van de nacht en de herinnering aan het water. Ik was er niet op voorbereid. Gewoon een beetje praten, dacht ik. Wat is je lievelingskleur? Dat soort dingen. Leven je ouders nog? Heb je huisdieren? Maar jij…jij pakte me vast. Zoals je achterop had gezeten toen we naar huis fietsten, zo praatte je met me. Je hand om mijn middel. Een gesprek als een omhelzing. Dat had ik niet verwacht.

Ik kan het niet anders. Ik moet je zien. Ik wil je vasthouden. Ik wil je afpellen. Dat moest. Je toelaten. In mijn armen houden. Met je vrijen. Dat gaat niet zomaar. Dat is een stap. Een toenadering. Ik kijk naar de sterren. Ze moeten goed staan. Ze mogen geen millimeter opgeschoven zijn. Anders gaat het niet. Anders kan ik het niet. Dat moet je begrijpen.

Ik dacht, kom maar. Kom maar bij me. Kruip in me met je vragen. Kijk rond en bezit me. Na deze nacht wil ik alles. Je hele wezen. Een leven lang dans ik met je als het moet. Tot ik er dood bij neerval. Dit gesprek komt nooit ten einde. Ons bestaan zullen we bij elkaar praten. Alle woorden die nodig zijn om elkaar te vinden. Dit wil ik je zeggen. Ik houd van je.

Ik word opgevreten van binnen. Maar dat zei ik je niet. Ik heb dit hart verpand. Een deel ervan in elk geval. Ik weet niet wat liefde is. Waarom liefde uitgesproken zou moeten worden. Zeggen dat je van iemand houdt. Het is onzinnig. Zie je dan niet wat ik voel. Heb je echt dat ene woord nodig om te vertrouwen. Deze zinnen schieten als elektrische schokken door mijn lijf. Maar groter is de troost, de weldaad die het verdriet wegduwt. Ik ben bij jou. Ik wil bij jou zijn. Dat maakt me gelukkig. Mag ik dat zeggen?

Is zij het echt, dacht ik. Zit zij hier tegenover mij? Ik wilde haar hand vastpakken als bevestiging. Ze keek me vreemd aan. Wat doe je zag ik haar denken. Ik pak je hand vast. Zie je dat niet? Ze liet het toe. Ik keek naar haar vingers. Smalle vingers. Ik dacht aan het dansen en streelde haar handpalm. Het klopt. Ze bestaat.

Je streelde mijn hand. Ik voelde de tinteling tot in mijn rug doorlopen. De haartjes van mijn armen schrokken overeind. Je wilt mij dacht ik. Je bent degene die mij laat vergeten. Ik stond op en ging op je schoot zitten. Mijn armen om je hals. Zo wil ik bij je zijn, zei ik zacht. Mijn hele leven op jouw schoot. Dan ben ik tevreden. Je lachte en zei: dat is goed. Je hield mijn gezicht in je handen. Zo zaten we tot de zon opkwam. In de omhelzing van onze eerste liefde. Zo is het gegaan. Toch?

Zo is het gegaan.

Gelukkig.

Geef een reactie

Opgeslagen onder De heilige geest

En zo geschiedde…

Toen hij haar hand vroeg schrok ze. De hele avond had ze al naar hem gekeken. Ze had gezien hoe hij op de dansvloer zijn best deed. Maar als hij haar kant op keek wendde ze haar hoofd af. Niet uit schaamte maar om hem niet te laten zien hoezeer ze naar hem verlangde. Hij had het gebaar opgevat als een afwijzing. De rest van de avond richtte hij zich op anderen. Met zijn vrienden dronk hij en sprak hij. Met sommige vrouwen flirtte hij. Tot er niets anders op zat. De avond was ten einde. De dansvloer vrijwel leeg op een oude man na die met spastische bewegingen de muziek in zich opnam. Dat was het moment dat hij zijn sprong waagde en haar hand vroeg. Ze had hem verwacht. Ze wilde zijn aandacht. Ik kan hem niet vertellen wat hij voor me betekent, dacht ze. Ik wil mij niet verliezen. Ze was bang voor dit verlies. Ergens had ze het gevoel dat zijn ogen haar ruggengraat zouden doen verdwijnen. Ze moest voorkomen dat hij haar in zijn greep kreeg. Hij kwam bij haar staan. Op gepaste afstand maar ze kon zijn after shave ruiken. Hij had zich geschoren. Een klein sneetje sierde zijn wang. Alleen op afstand kan ik blijven kijken, prentte ze zichzelf in. Ik moet afstand behouden. Hij ging niet op zijn knieeën. Dat durfde hij niet. Hij wilde niet onbeschoft overkomen. Misschien als ze deze avond naar hem gekeken had, dat hij het dan gedaan had. Als grap. Als kwinkslag. Ze zou hem begrepen hebben. Maar nu wist hij het niet. Hij wilde haar niet in de war brengen. Hij verlangde naar haar. Hoe ze wegkeek als hij haar blikken probeerde te vangen. Nog even en de muziek houdt op, dacht hij. Er is geen tijd te verliezen. Hij liep haar kant op, ogenschijnlijk achteloos en vroeg of ze met hem wilde dansen. Ik ben geen groot danser, zei hij, maar ik doe mijn best. En voor jou doe ik extra mijn best, dat beloof ik. Ze lachte en zei weifelend ja. Niet laten merken dat ik hem wil omhelzen. Dat ik zijn woorden drink, zijn ogen wil bezitten. Ze keek weg en zei ja. Hij stak zijn hand uit en wachtte tot ze hem aan nam. Het was heet op de dansvloer. De lampen maakten alles tot een woestijn. Ik neem haar naar buiten, dacht hij. Als we klaar zijn til ik haar op en draag haar naar de rivier. We gaan zwemmen. Zitten aan de waterkant mag ook, als ze dat liever wil. Toen keek ze hem plotseling aan. Nog voor ze aan hun dans konden beginnen wierp ze een blik op zijn ogen en doorgrondde hem. Hij wankelde. Zal ik zeggen dat ik van haar houd, dacht hij, of is dat te vroeg. Hij besloot dat het te vroeg was. Hij wilde haar geen angst aan jagen. Zonder verwachtingen, mompelde hij en begon met haar te dansen. Hij keek naar haar bewegingen en stelde zich voor hoe ze hem beminde. Ze zonk weg in de muziek, ze werd een met het ritme en straalde. Hij tilde haar op, kuste haar voorzichtig in haar nek en fluisterde: je danst. Ze knikte en dacht: nu krijg je mij. Nu nog wel. Geniet er van. Houd mij vast. Hij hield haar vast. Met een arm om haar middel trachtte hij haar ritme te vangen. Beiden lachten en vergaten voor even de afstand. Toen hield de muziek op en was het feest ten einde. Ze hielden stil en keken weg. Wat nu? Zullen we even naar buiten, vroeg hij, maar wat hij bedoelde was: blijf bij mij, een leven lang. Het kan me niets schelen of we ruzie krijgen, of je me een rotzak gaat vinden, maar laat me niet meer los. En zij dacht: ik weet niet of je de ware bent, ik weet niet wat ik moet denken en straks wanneer de afstand is terug gekeerd in mijn lichaam en de twijfel het hoofd heeft over genomen zie ik je weer zoals je bent: een rusteloze ziel, maar nu wil ik je helemaal, van kop tot teen, wil ik mijzelf verliezen en beveel ik je mij weg te dragen, weg van deze dansvloer, de nacht in, op weg naar jouw huis of het mijne, achterop de fiets, terwijl ik je middel omklem, met de pont op weg naar het hart van de stad en ik wil dat je op de pleinen mijn naam schreeuwt en ik schreeuw de jouwe net zo hard tot ik hem niet meer vergeet. Dat wil ik. Dus zei ze: goed en samen liepen ze naar buiten. In de nacht koelden ze langzaam af en keken elkaar aan. Hun ogen lichtten op. Woorden waren niet nodig. Hij ging voor haar staan, lachte even onhandig en probeerde haar toen te kussen. En zij, zij beantwoordde zijn kus terwijl ze dacht: laat dit zo lang mogelijk duren. En zo geschiedde.

Geef een reactie

Opgeslagen onder De fotograaf